23 mrt '17


De discussie over flexibele arbeid die al enige tijd woedt in Nederland en ook een rol speelde in de verkiezingen, is volkomen eenzijdig. In deze discussie zijn alleen maar tegenstanders aan het woord. Het zijn vooral hoger opgeleiden met vaste baan en zónder flexervaring die zich (nogal) paternalistisch uitlaten. Flexwerkers zelf hoor je nauwelijks, al helemaal niet degenen die aan de onderkant van de arbeidsmarkt werkzaam zijn. Waarom vraagt niemand hen naar hun mening?

Op basis van alle negatieve verhalen die vooral politici vertellen, zou je haast gaan denken dat Nederland gevaar loopt te veranderen in één grote flexeconomie waar onderbetaling en onzekerheid hoogtij vieren.

Dit is niet alleen een onjuiste voorstelling van zaken, maar ondertussen ook behoorlijk frustrerend voor iedereen die in de flex- en uitzendbranche werkt, zoals ikzelf. Zelfstandigen zonder personeel, nulurencontractanten, uitzendkrachten en payrollers: deze behoorlijk verschillende groepen worden in de publieke beeldvorming op één grote flexhoop gegooid.

"Dat we nu steeds in de hoek worden geduwd waar klappen vallen, is onterecht."

In werkelijkheid is slechts 8 procent van de beroepsbevolking uitzendkracht of payroller en onder andere doordat onze sector ontzettend vaak wordt gecontroleerd, hebben we onze arbeidsvoorwaarden volledig op orde. Dat we nu steeds in de hoek worden geduwd waar klappen vallen, is onterecht.

Dat dit toch gebeurt, heeft alles te maken met het opnieuw tot norm verheffen van het vaste contract door politici en vakbonden. Zij voelen zich ongetwijfeld gesterkt in hun gelijk door het recente rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. Dat schetst een somber beeld van nieuwe, kwetsbare groepen met stress en levensloop-onzekerheden ten gevolge van flexcontracten.

De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, een adviesorgaan van de regering, baseert zich op 36 diepte-interviews met mensen met flexibele arbeidscontracten. Wie dat zijn, is niet bekend, wel weten we op basis van de inhoud van het rapport dat ze liever nog vandaag dan morgen hun flexbestaan inruilen voor de zekerheid van een vast contract.

Het wordt tijd dat Nederland de ogen opent: flexibele arbeid is een blijvertje. Dat is een nieuwe werkelijkheid die niet negatief uitgelegd hoeft te worden. Juist in tijden van opgaande conjunctuur en economische groei zoals we nu beleven, stijgt het aantal uitzend- en flexcontracten in reactie op de toenemende vraag naar arbeid.

Van alle werklozen in Nederland komt 30 procent via uitzendbureaus weer aan de slag. Van hen is 70 procent drie jaar later nog steeds aan het werk. Nog eens 61 procent van alle uitzendkrachten stroomt makkelijker door naar ander werk. Dit zijn recente cijfers van de Algemene Bond Uitzendondernemingen (ABU), de brancheorganisatie van de uitzendsector, die ik in de hele discussie nergens terugzie.

Net zo goed hoor of lees ik ook nergens de mening van de allergrootste groep flexkrachten in Nederland: lageropgeleiden aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Is de politiek vergeten hen bij de discussie te betrekken? Of zou het kunnen dat deze groep niet het probleem ervaart dat hoger opgeleiden zonder flexervaring ons nu probeert aan te praten?

In het verkiezingsprogramma van de Partij voor de Vrijheid, de partij waar massaal de stem van lageropgeleiden naartoe zou gaan, wordt met geen woord gerept over flexibele arbeid. Dit geeft mij in elk geval te denken of mensen er inderdaad wel zo wakker van liggen als van hogerhand wordt beweerd.

Als uitzendondernemer heb ik geen zin meer mij steeds te moeten verdedigen in een politiek en maatschappelijk debat met als enige insteek dat flex slecht is. Die vooringenomenheid brengt Nederland ook niet verder in het zoeken naar oplossingen om de sociaaleconomische kloof tussen flexwerkers en mensen met een vast contract verder te verkleinen.

In plaats van het bemoederen van ‘zielige’ flexwerkers kunnen we beter met elkaar daarover in discussie gaan en niet langer blijven doen alsof het nog mogelijk is om de klok twintig jaar terug te draaien. Want dat is het níet. Die belofte van een vaste baan is wat dat betreft populisme van de bovenste plank.

Paul Haarhuis
Commercieel Directeur

Bovenstaand opiniestuk verscheen op 23 maart in het Financieele Dagblad