18 sep '17

Meer vaste banen, meer loon, minder flex, meer innovatie én meer ouderen aan het werk. Iedereen weet: in het leven draait het om keuzes maken, maar dit besef lijkt maar niet door te dringen in de stokkende discussie over de toekomst van werk in dit land. Nu de arbeidsmarkt weer op volle toeren draait, kunnen we alsjeblieft eindelijk knopen doorhakken?

 

Nog nooit waren er in Nederland zo veel mensen aan het werk. Dit is grotendeels te danken aan een forse groei van het aantal flexbanen. Gek genoeg blijven vakbonden en politiek deze ontwikkeling bestempelen als negatief. Zij houden hardnekkig vast aan de idylle van de vaste baan voor iedereen. Sinds deze zomer probeert minister Asscher deze wens zelfs hardhandig door te drukken met het afkondigen van een verbod op het zogeheten sectoriseren. Per 1 januari 2019 mogen uitzendbureaus, payrollers en detacheerders de premies voor werkloosheid en arbeidsongeschiktheid niet langer vaststellen op basis van de geldende percentages voor sectoren waarin hun uitzendkrachten werk uitvoeren. De kosten van flex schieten hierdoor omhoog. De premies voor de uitzendbranche behoren namelijk tot de allerhoogste. Dat is het gevolg van een papieren werkelijkheid die bepaalt dat het werkloosheidsrisico in deze branche het hoogste is. In een sector die draait op tijdelijk werk is het logisch dat je af en toe aan de kant plaatsneemt. Hier staat tegenover dat uit cijfers van brancheorganisatie ABU blijkt dat uitzendkrachten die werkloos worden, sneller nieuw werk vinden dan mensen die een vaste baan kwijtraken. De ABU-cijfers (gemeten over de periode 2007-2015) laten overduidelijk zien dat uitzendwerk vaak richting vast werk leidt. Van alle mensen met een WW-uitkering die via een uitzendbaan aan de slag gaan, is 70% drie jaar later nog steeds aan de slag. De uitzendconstructie is daarmee de meest voorkomende opstap naar vast werk voor werkzoekenden.

"De flexbranche pesten is schadelijk voor de economie. Daar moet de overheid gevolg uit trekken."

Paul Haarhuis (directielid Timing)

Onmisbaar

Vooral in het midden- en kleinbedrijf zijn tijdelijke krachten onmisbaar om veerkrachtig te kunnen inspelen op de vraag vanuit de markt. Van alle bedrijven met meer dan 100 werknemers, faciliteert 49 procent de eigen groei met het inhuren van uitzendpersoneel (bron: ABU). Bij ondernemingen tot 50 man personeel is dit 37 procent. Veel bedrijven werken met uitzendkrachten en halfjaar-contracten, want dan kan er zonder risico worden gekeken of iemand voldoet en bij de organisatie past. Het is natuurlijk waar dat lang niet iedereen de overstap naar vast of opeenvolgend werk weet te maken. Recente cijfers van het CBS die ook door Trouw zijn gepubliceerd, onderstrepen dat er (veel) meer aandacht moet zijn voor de arbeidsmobiliteit van lageropgeleiden. De uitzendbranche zet hier vol op in. 

De flexbranche pesten en structureel in de hoek zetten, zoals nu stelselmatig gebeurt, gaat de groep lageropgeleiden beslist niet helpen en pakt uiteindelijk schadelijk uit voor de economie als geheel. Wanneer uitzendwerk en andere flexconstructies duurder worden zoals Asscher wil en ook de vakbonden, gaan bedrijven het moeilijker krijgen. De marges in de uitzendbranche zijn bijzonder klein. In combinatie met een krapper wordende arbeidsmarkt kan het niet anders dan dat duurdere flex grotendeels door de inhurende bedrijven moet worden betaald. Terwijl - en dat wordt nogal eens vergeten - de meesten van hen de klap van de crisis nog niet eens volledig te boven zijn.

Mijn sector snakt naar durf, duidelijke keuzes én een overheid die inziet dat werkelijk niemand erbij is gebaat dat uitzendwerk en andere flexconstructies duurder worden.

 

Paul Haarhuis - directielid van Timing uitzendteam

Dit artikel verscheen als opiniestuk in Trouw op 16-09-2017